John en ik zien elkaar ongeveer drie keer per jaar. We trekken dan een dag samen op en praten over van alles. Ik heb hem twee maanden geleden nog gezien. Het verbaast me dan ook als John me onverwachts opbelt met de vraag of ik deze week nog een dag langs kan komen. Voor John maak ik graag mijn agenda vrij, dus zit ik een paar dagen later bij hem in de woonkamer. Het valt me op dat John er mager en grauw uitziet. Suzanne schenkt ons koffie in en laat ons dan alleen. Het voelt allemaal een beetje vreemd. Ergens in mij gaan er allerlei alarmbellen af. “John, hoe is het met je?”
John legt zijn hand op mijn arm. “Het gaat niet zo goed met mij. Ze hebben onlangs darmkanker bij mij ontdekt.” Ik schrik. Hoe erg is het? “Het is erger dan ze dachten. Het is uitgezaaid door mijn hele lichaam. Ze kunnen niks meer voor me doen. Ik heb nog een paar maanden.” John glimlacht terwijl hij dit zegt, maar ik zie het verdriet in zijn ogen.
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik grijp hem bij zijn arm en ben stil. Ik moet denken aan die keer toen we samen in Schotland zaten en hij net die levensveranderende ontmoeting met Jezus had gehad. Toen hebben we ook een hele tijd samen stil gezeten.
Zo zitten we als oude vrienden in zijn woonkamer. “Drink je koffie op, anders wordt het koud. En hebben we er geen koekje bij deze keer?” John breekt het ijs met een grapje. “Suzanne, hebben we niet wat lekkers voor Matthijs? Je weet wat voor snoeperd het is.” Suzanne komt met een schaal koekjes aangelopen en komt naast John op de bank zitten. John vertelt me hoe hij al langer wat klachten had en de huisarts hem doorverwezen had voor onderzoek. Kort daarna had hij de uitslag gekregen dat het ongeneeslijk was.
“Ik heb nog even overwogen om voor me te laten bidden in een genezingsdienst, maar ik zie er vanaf.” John lacht. “De kansen zijn te klein. Als ik naar Leiderdorp zou gaan waar nu broeder Houtsman staat, maak ik een kans van een op duizend om daar genezen te worden. Tenminste dat heb ik gehoord, dat op elke duizend bezoekers daar één iemand geneest. In Amerika is dat misschien een op de vijfhonderd en in Nigeria bij pastor Joseph een op de tweehonderd, maar ik wil die genezing niet gaan najagen. Ik ga niet dienst na dienst aflopen op de hoop dat die genezing voor mij zal zijn. Laat God het dan maar aan iemand anders geven. Ik wil Suzanne, de kinderen en kleinkinderen niet elke keer weer die hoop geven dat God mij misschien gaat genezen. Ik wil genieten van deze maanden samen. Ik wil goed afscheid nemen. Natuurlijk mag God mij genezen als Hij dat wilt. Graag zelfs, maar ik ga er niet naar op zoek.”
Ik knik en begrijp hem.
Het verbaast me dat het ondanks alles toch nog een gezellige middag wordt. We lachen wat af met elkaar. Als ik me klaar maak om te vertrekken, trekt John me dicht naar zich toe. “Ik zou het fijn vinden om je nog wel een paar keer te zien, voordat ik ga. Kom je binnenkort weer gauw langs.” Ik beloof het en ga dan vol gedachten terug naar huis.
(wordt morgen vervolgd)
Laatste reacties