John en ik zitten boven op een berg op het eiland Rhum. Niet echt een goede plek om in een diep gesprek te raken over zijn relatie met zijn vader, maar ja; dat soort dingen gebeuren.
“Hij is vorig jaar overleden en ik heb nooit de kans genomen om het met hem goed te maken, om hem te zeggen dat ik wel van hem hield. Ik wilde hem straffen, weet je. Ik wilde hem laten voelen wat ik al die jaren had gevoeld. Maar uh, hoe dom kan je als mens zijn. Denk je dat hij ooit heeft geweten hoeveel ik van hem houd.”
John begint te huilen en ik leg mijn hand op zijn schouder.
“Nu is mijn vader vorig jaar overleden. Ik ben niet eens op de begrafenis geweest. Ik heb mijn moeder niet gesproken. Ik ben enig kind, man. Ik ben het enige wat ze hadden en ik ben er niet geweest. Ik weet niet eens hoe het met mijn moeder is...”
John schokt van het huilen.
Zo zitten we hier een tijdje. Ik merk dat het kouder wordt. Vanaf de zee zie ik een mistbank langzaam de berg op kruipen. En ja, hoor; tien minuten later zijn we omgeven door een ijskoude mist. Ons uitzicht op Mull, het vasteland en alle andere eilanden is geslonken tot mijn tenen. Verder dan twee meter weg kan ik niet meer zien. Ik sta op en trek John aan zijn arm. “We moeten gaan. Straks zien we geen hand voor ogen meer. Kijken of we even kunnen dalen om naar de volgende top te gaan.” John veegt met zijn mouw langs zijn ogen en neus en klimt overeind. Heel voorzichtig dalen we een stukje af om dan langs een dunne richel naar een volgende top te klimmen.
Voorzichtig manouvreren wij ons langs de richel. De richel is maar twee meter breed met aan beide kanten een steile klif van een paar honderd meter. Als jij hier uitglijdt en naar beneden valt, is het afgelopen. Gelukkig trekt de mist weer een beetje op en strekt het hele eiland zich voor ons uit. De top die we nu gaan beklimmen, is de hoogste van het eiland. Het lijkt een stuk steiler dan onze eerste beklimming. Een uur later zitten we op de cairn; een stapel stenen op de top uit te hijgen.
“Ik dacht dat rennen met onze rugzakken om de trein te halen al vermoeiend was, maar dit slaat alles. Ik ben in tijden niet meer zo kapot geweest en we moeten straks nog terug. Nou ja, terug... Het is een rondje wat we lopen, he.” We kijken nog even op de kaart en zien dat we halverwege zijn.
“He Matthijs, als ik straks terug ben in Nederland wil ik langs mijn moeder gaan. Ik wil het echt gaan goed maken, maar...” John zwijgt even. “Ik weet niet of ze mij nog wel wilt zien. Het is ook niet niks wat ik hen al dit jaren aangedaan heb. Ik vind het wel heel spannend. Ik weet niet hoe ik zou reageren als ze hetzelfde zou doen wat ik al die jaren heb gedaan en mij niet zou willen zien.” Zit die kans er in?, vraag ik hem. John schudt met zijn schouders. “Ik weet het echt niet. Misschien een domme vraag, maar zou je met mij mee willen gaan als ik de eerste keer naar haar toe ga?”
(wordt morgen vervolgd)
Laatste reacties