Als we ‘s morgens opstaan, zijn onze tenten bevroren en liggen er allemaal herten rondom onze tenten te slapen die heel snel wegrennen als ik mijn hoofd uit de tent steek. John stapt een paar minuten later zijn tent uit. Het schemert, maar het belooft een heldere dag te worden.
Het is een hele klim; vooral voor twee mannen die binnenkort vijftig worden en allebei ‘iets’ te zwaar wegen. Gelukkig kunnen we al onze bagage en rugzakken in onze tenten laten liggen. Hier komt vandaag toch niemand meer langs. De bergen op Rum zijn ongeveer een kilometer hoog, maar omdat je op zeeniveau begint, is het toch nog een hele klim. De zonsopgang op de top halen we niet meer. Halverwege de berg komt de zon over het eiland Mull op. Om een uur of acht in de ochtend staan we op de eerste top. Het is de enige plek op het eiland waar er mobiel bereik vanaf het vaste land is. Ik gebruik de kans om uitgebreid Jessie te spreken, terwijl John stil zit te genieten van het uitzicht. Na Jessie bel ik mijn dochter Sanne, die onlangs getrouwd is en in Engeland woont. Na Sanne is mijn zoon Ben aan de beurt die voor zijn studie doordeweeks in Groningen op kamers woont. John zit daar maar te zitten, terwijl ik al mijn telefoontjes afwerk. Als ik eindelijk neerleg, komen er ook nog eens een tiental sms’jes binnen; van mijn vrienden, collega’s en van mijn ouders. John’s mobiel blijft leeg. Ik schrik van het contrast. Dat betekent het dus om alles kwijt geraakt te zijn.
Ik ga naast hem zitten. Hij biedt mij een halve snicker aan. “Dat waren een hoop sms’jes.” Ja, zelf mijn ouders wilden even dag zeggen. “Weet je dat ik al 24 jaar geen contact meer heb gehad met mijn ouders. Het is niet dat zij het niet geprobeerd hebben, maar ik heb mede onder de invloed van Annelies al het contact met hen geweigerd. Ach, ik moet me niet achter Annelies verbergen. Je weet dat ik mijn vader heb afgezet als voorganger.”
Ik knik, terwijl ik nog een hap van mijn snickers neem.
“Mijn vader was er nooit toen ik kind was. Hij was altijd bezig met de kerk, altijd bezig met andere mensen. En als hij er was, was het nooit genoeg wat ik deed. Hij wilde altijd maar dat ik beter mijn best zou doen, meer zou presteren. Eigenlijk ben ik mijn hele leven heel boos op hem geweest. Toen ik de kans kreeg om hem af te zetten als voorganger en zelf de gemeente over te nemen, heb ik dit gedaan. Vooral ook om wraak op hem te nemen en hem te laten zien dat ik beter was dan hij. Al die jaren heb ik me best gedaan om aan hem te bewijzen dat ik beter was dan hij. Om te laten zien dat ik geen sukkel ben, dat ik wel iets kan, dat ik niet voortdurend faal. Mijn vader heeft me zoveel brieven geschreven. Hij heeft me gebeld, is zelfs meerdere keren langs gekomen, maar ik heb alles afgehouden. Zijn brieven heb ik weggegooid; niet eens gelezen. Ik heb hem nooit meer gesproken. Weet je, Matthijs, hoeveel spijt ik daar nu van heb?”
Ik luister en weet dat ik eigenlijk niks hoef te zeggen...
(wordt morgen vervolgd)
Laatste reacties